maandag 25 oktober 2010

Verdiepte studie

De waarde van het hbo-diploma staat weer eens ter discussie na berichten in de media, dat er bij de Hogeschool Inholland een speciale afstudeerroute zou hebben bestaan om trage studenten van de opleiding media entertainment management (MEM) te laten slagen. Studieachterstanden zouden daarbij zijn kwijtgescholden en eerder afgekeurde afstudeerscripties alsnog goedgekeurd. Op deze manier zouden de afgelopen twee jaar circa 250 'stuwmeer-studenten' aan een diploma geholpen zijn. Dat leverde de hogeschool even zoveel bonussen van tienduizend euro op.
De berichten deden me denken aan mijn eigen studie aan de School voor de Journalistiek in Utrecht, in het midden van de jaren zestig. De dagopleiding was de eerste in zijn soort en ik was eén van de circa 350 studenten van de allereerste leergang. Die primeurstatus gaf landelijke bekendheid (rellen bij opening door prins Claus), maar had tegelijkertijd nogal wat nadelen, waaronder een lange reeks van pioniersactiviteiten en een dito lijst experimenten. En dat ook nog eens in een tijd waarin de democratisering van de samenleving en als onderdeel daarvan de onderwijswereld een piek bereikte. Voor een jonge Achterhoeker, opgegroeid in een beschermd en eigenlijk ook afgeschermd milieu, was de overgang van de hbs in zijn woonplaats naar het hbo-instituut in de Domstad een revolutionaire transformatie. Op 18-jarige leeftijd het ouderlijk huis uit, voor het eerst eigen verantwoordelijkheid dragend voor de inrichting van mijn leven, wennen aan een totaal nieuwe, stadse omgeving met heel veel nieuwe mensen èn studeren in een geheel andere aanpak dan voorheen op de hbs. Het kostte me aanvankelijk dan ook veel moeite te acclimatiseren in een totaal nieuwe woon- en studieomgeving, in een gloednieuw onderwijsinstituut dat op zijn beurt ook nog de weg moest zoeken en vinden.
Er is geen echte parallel tussen de recente kritiek op Hogeschool Inholland en mijn eigen studie aan de School voor de Journalistiek. Dat ik er toch aan moest denken heeft te maken met de overeenkomst tussen de 'zwaarte' van het studiepakket en de kennelijk ongedisciplineerde organisatie van de opleiding aan beide instituten.
Vooral in mijn eerste jaar op de School voor de Journalistiek was het studieprogramma erg experimenteel, rommelig en weinig doelgericht en adequaat. Het deed gerede twijfels ontstaan of ik bij het inslaan van de studierichting wel de juiste keuze had gemaakt. Al vanaf de lagere school (waar ik een muurkrant runde) wilde ik journalist worden. Ik heb er uiteindelijk nooit spijt van gehad die wens te hebben geëffectueerd via een studie aan de School voor de Journalistiek. Maar de kanttekening bij de inhoud en de zwaarte van de studie is op haar plaats. Deze werden naar mijn oordeel te veel bepaald door voortdurende experimenten en een onophoudelijk zoeken naar het juiste format. Er was weinig diepgang in vakken als economie, recht, sociologie, geschiedenis en cultuur. Het ontbreken van voldoende intellectuele diepgang is voor mij aanleiding geweest op zoek te gaan naar aanvullende studies, buiten de eigenlijke studie journalistiek om.
Ik heb eerst een studiepakket steno aangeschaft, omdat ik toen nog in de veronderstelling verkeerde met snelschrift in de nieuwsjournalistiek beter uit de voeten te kunnen. Deze 'studie' bloedde echter snel dood, omdat het onnut ervan steeds evidenter werd. Op zoek naar andere opties kwam ik terecht bij de politiek-sociale faculteit van de Universiteit van Amsterdam, waar ik al tijdens mijn hbs-tijd een zaterdagmiddagcursus journalistiek had gevolgd. Samen met een aantal medestudenten van de School voor de Journalistiek, die mijn kwalificaties van de opleiding tot dat moment deelden, heb ik me opgegeven voor de studierichtingen politicologie en geschiedenis. We volgden (avond)colleges en studeerden in werkgroepen, aanvankelijk met veel enthousiasme en het aangename gevoel nieuwe studiebevrediging te hebben gevonden. Na betrekkelijk korte tijd verminderde mijn animo om behalve in Utrecht ook nog eens de collegebanken in Amsterdam op te zoeken. Anders dan mijn collega-studenten, die overwegend in de hoofdstad woonden, moest ik steeds op en neer vanuit Utrecht. Dat kostte niet alleen extra geld, maar ook een zee van tijd die ik vervolgens tekort kwam in mijn sociale contacten. Ietwat in een sfeer van vertwijfeling vond ik gelukkig een uitweg. Ik ontdekte een veel gemakkelijker begaanbaar pad voor het (ver)volgen van de universitaire studie. In ruil voor af en toe een biertje mocht ik gebruik maken van zeer uitvoerige en heldere collegedictaten en van ander studiemateriaal van enkele collega-studenten die wel college liepen. Op mijn beurt leverde ik mijn collega-studenten kopieën van mijn 'Utrechtse' colleges. De kosten van de kopieën en consumpties wogen niet op tegen de reiskosten, ik bespaarde veel reistijd en kon zodoende toch een verdieping toevoegen aan mijn journalistieke studie!
Vooral door de combinatie van de studies journalistiek enerzijds en politicologie en geschiedenis anderzijds bewaar ik een goed gevoel aan mij studietijd. Ik heb altijd heel sterk de innerlijke opdracht gevoeld het door mijn ouders zuur verdiende studiegeld optimaal te moeten benutten. Zonder de aanvullende universitaire studies, die ik weliswaar maar ten dele heb gevolgd en die ook nooit tot een diploma hebben geleid, had ik aan mijn Utrechtse jaren waarschijnlijk niet het gevoel gehad aan die opdracht te hebben voldaan. Bovendien heeft mijn diploma van de School voor de Journalistiek door de toegevoegde component, meer dan anders waarschijnlijk het geval zou zijn geweest, toegevoegde intrinsieke waarde gekregen.
Na de afronding van de studie in Utrecht bloedden de nevenstudies geleidelijk dood, ook al omdat ik door stages het contact met mijn 'dictaatleveranciers' verloor. In een moment van refelectie heb ik wel eens betreurd niet meer te hebben gedaan met de academische opleiding. Wellicht had ik beter de normale studieweg kunnen volgen met dagelijkse colleges, met tentamens en een formeel afstudeerproject. Maar op andere momenten overweeg ik, dat het mij niet om een academische graad ging maar veeleer om 'geestelijke voeding'. Ik heb altijd gewerkt aan en tegelijkertijd bevrediging gevonden in het verwerven van intellectuele bagage en het uitbouwen van mijn algemene ontwikkeling als basis voor mijn maatschappelijk functioneren en meer in het bijzonder voor de uitoefening van mijn journalistieke beroep. Het dagelijkse werken aan kennis en algemene ontwikkeling is een beetje een levensadagium geworden. Ik heb er ook latere stagiaires mee lastig gevallen door hen consequent voor te houden, dat ze iedere dag minstens 1 krant moeten lezen en aandachtig het 'achtuurjournaal' en een actualiteitenrubriek moeten volgen.

Prins Lockheed

De afgelopen zondagen in oktober heb ik met veel belangstelling gekeken naar de VARA-tv-serie 'Den Uyl en de affaire Lockheed'. De miniserie is gebaseerd op de zogenaamde Lockheedaffaire uit de jaren zeventig van de vorige eeuw. Deze bracht in 1976 de Nederlandse monarchie op de rand van de afgrond.
De geschiedenis herleeft als de dag van gisteren als het hele verhaal op de beeldbuis nog eens wordt opgerakeld. Prins Bernhard zou in de jaren zestig en zeventig, in ruil voor 1,1 miljoen dollar, de Amerikaanse vliegtuigbouwer Lockheed geholpen hebben bij de verkoop van vliegtuigen aan Nederland. De feiten kwamen aan het licht tijdens openbare verhoren van een onderzoekscommissie van de Amerikaanse Senaat. De affaire zorgde in Nederland voor veel commotie. Ik ben daar persoonlijk getuige van geweest, omdat ik in die periode als woordvoerder van het ministerie van Defensie in Den Haag werkzaam was. Op tal van momenten ben ik daar, in het epicentrum van de vaderlandse politiek, voor en achter de schermen, formeel, informeel en soms ook in het diepste geheim geconfronteerd met tal van aspecten van de affaire. Ik vermoed achteraf, dat ik niet eens altijd in de gaten heb gehad getuige te zijn geweest van een affaire die Nederland op zijn grondvesten deed schudden.
Op verzoek van het toenmalige centrum-linkse kabinet-Den Uyl onderzocht een zogenaamde Commissie van Drie, onder voorzitterschap van Europees rechter A. Donner, de juistheid van de beschuldigingen. De commissie liet weten na onderzoek geen sluitend bewijs te hebben gevonden voor de beschuldiging, dat Bernhard zélf het geld had ontvangen. Wel werden geldstromen naar de 'omgeving' van de prins ontdekt. Ze leidden naar drie personen: een onbekende met het pseudoniem Victor Baarn, een zekere Fred Meuser (een vriend van Bernhard) en ex-kolonel A.E. Pantchoulidzew (een vriend van de moeder van Bernhard). Het verslag van de commissie liet weinig aan duidelijkheid te wensen over. De prins had zich "aanvankelijk veel te lichtvaardig begeven in transacties, die de indruk moesten wekken dat hij gevoelig was voor gunsten''. Hij had zich "toegankelijk getoond voor onoirbare verlangens en aanbiedingen'' en zich laten verleiden tot "initiatieven die volstrekt onaanvaardbaar waren".
De natie schrok van de openbaringen, maar Bernhard zelf leek allerminst onder de indruk van de bevindingen. Hij weigerde te erkennen dat hij 'ernstige fouten' gemaakt had. Zijn verklaring, opgenomen in de regeringsverklaring, ging niet verder dan het betuigen van "oprechte spijt" en onder meer het toegeven niet "de nodige zorgvuldigheid" in acht te hebben genomen.
Justitie hield, in opdracht van het kabinet, de handen van de zaak af. Die keuze was gebaseerd op politieke argumenten. Het kabinet voorzag namelijk ingrijpende gevolgen voor het constitutionele bestel. Een corruptieproces tegen de prins zou zonder twijfel zijn weerslag hebben gehad op de positie van Juliana. Prins Bernhard moest uiteindelijk als straf afstand doen van een aantal openbare functies en hij mocht geen militair uniform meer mogen dragen bij officiële gelegenheden. Vooral dat laatste heeft hem kennelijk diep gegriefd. Hoezeer hij aan de militaire uitmonstering verknocht was, bleek o.a. uit zijn latere verzoek aan de regering om in ieder geval in uniform begraven te mogen worden.

Terug naar de tvserie. Al vanaf het begin van de affaire weet Den Uyl, dat strafrechtelijke vervolging van de Prins der Nederlanden het einde van de monarchie kan betekenen. Aan de andere kant is niets doen ook geen optie. Dus moet hij op zoek naar een compromis. Niet onbelangrijk in het geheel is ook de vraag: in hoeverre het rapport van de Commissie van Drie in de openbaarheid moet en kan worden gebracht. Immers, niet alleen het lot van de monarchie staat op het spel, ook dat van het kabinet-Den Uyl zelf en van de PvdA. De tv-serie schildert het loodzware proces. Intrigerend zijn de rollen die 'mijn' minister van Defensie Henk Vredeling en partijcoryfee Marcel van Dam (staatssecretaris op Volkshuisvesting) in de serie spelen. Of deze rollen de feitelijke situatie van de jaren zeventig correct weergeven, kan ik niet beoordelen. Marcel van Dam ken ik alleen vanuit de media en uit enkele vluchtige gesprekken aan de bar van perscentrum Nieuwspoort, waar hij overigens vrijwel dagelijks, samen met collega-staatssecretaris Jan Schaefer en D66-minister Hans Gruyters vertoefde. In mijn herinnering leeft wel menige woedeuitbarsting van Vredeling aan het adres van 'de mof'' en allerlei kennelijk vertrouwelijke gesprekken van de minister in Nieuwspoort en het restaurant van de Tweede Kamer met o.a. journalisten van de parlementaire redactie van het Vrije Volk. De aanwezigheid van directeur voorlichting Ab Sligting en die van zijn plaatsvervanger Jack Querens en mij werd daarbij niet op prijs gesteld. Sterker nog, toen Ab Sligting (door Den Uyl als een soort 'waakhond' op Vredelings ministerie geposteerd om de nogal flamboyante bewindsman in de gaten te houden) zich in het borrelende gezelschap probeerde te voegen, werd hem keihard de deur van het perscentrum gewezen.
De tv-serie maakt gebruik van informatie uit de biografie Joop den Uyl 1919-1987, dromer en doordouwer van Anet Bleich. Zij schrijft daarin dat Den Uyl een aantal keren met de Commissie van Drie gesproken heeft. De precieze inhoud van de gesprekken is onbekend gebleven. Wel staat vast dat niet alle bevindingen van de commissie naar buiten zijn gebracht. Zo is een bijlage over een andere smeergeldaffaire van prins Bernhard die zich eind jaren zestig voltrok (de affaire Northrop) angstvallig achter de stalen deuren van de staatskluis opgeborgen. O.a. uit publicaties van het Vrije Volk was aan het licht gekomen, dat prins Bernhard ook in de weer is geweest voor Northrop, in België, Nederland en Duitsland. Den Uyl besloot de betreffende bijlage voor de Tweede Kamer en kabinetsleden te verzwijgen. Een tweede affaire zou de ondergang van de Nederlandse monarchie hebben betekend, zo zal de redenatie zijn geweest. In de tv-serie worden een paar momenten uitgelicht die volgens mij de stellingname van Den Uyl zouden kunnen hebben beïnvloed. Opvallend zijn bijvoorbeeld de in het proces allengs beter wordende banden met koningin Juliana. Zij noemt zichzelf op een gegeven moment in een briefje aan Den Uyl "uw oude praatpaal". Daarnaast wordt op meerdere momenten duidelijk, dat ook de angst voor de reactie van het Oranjegezinde deel van het volk, mocht de monarchie in het geding komen, de premier parten heeft gespeeld. Dit deel der natie zou zich tegen de Partij van de Arbeid kunnen keren. Die gedachte alleen al was een gruwel voor 'ome Joop'.