maandag 20 september 2010

Politiek incorrect

De berichten over exhorbitante bonussen in de bankenwereld houden onveranderd aan. Kennelijk hebben de financiële jongens nog steeds niet begrepen, dat zelfs 'de politiek' hun manifeste gebrek aan verantwoordelijkheidsgevoel en fatsoen beu is. Schaamteloos zijn ook de salarissen die worden betaald aan directeuren van zogenaamde goede doelen. Uit een onderzoek van RTL Nieuws blijkt, dat maar liefst een kwart van de 81 onderzochte organisaties de topman in 2009 meer dan 100.000 euro per jaar betaalde. De helft van de directeuren krijgt tussen de 70.000 en 100.000 euro. De hoogste bedragen worden betaald door het Rode Kruis en ontwikkelingsorganisatie SNV, respectievelijk 141.000 en 155.000 euro per jaar.

De onvrede over de zakkenvullerij heeft nu eindelijk ook het ministerie van Buitenlandse Zaken bereikt. In ieder geval heeft minister Verhagen aangekondigd een onderzoek in te willen stellen bij de organisaties die meer dan een half miljoen ontwikkelingsgeld per jaar krijgen. Volgend jaar mogen deze organisaties hun topmensen nog maximaal 124.000 euro bruto per jaar betalen. Wie meer betaalt, raakt de subsidie kwijt, dreigt de minister, nadat Kamerleden vragen hadden gesteld over de salarissen bij SNV en Rode Kruis. SP-Kamerlid Irrgang, een van de vragenstellers, is blij met het onderzoek: "Niets is zo schadelijk voor het imago van ontwikkelingshulp als de geur van megasalarissen waardoor onnodig geld aan de strijkstok blijft hangen."

Sinds de jaren tachtig van de vorige eeuw heeft ontwikkelingshulp veel aandacht en geld gekregen van de diverse kabinetten in Nederland. Jaarlijks maken we in ons rijke landje miljarden vrij voor ontwikkelingshulp.  Hoewel je met (een deel van) dat geld ook tal van schrijnende nationale problematieken zou kunnen aanpakken, klaagt eigenlijk niemand over deze financiële prioriteitsstelling. Maar hoe goed wordt dat geld besteed? Als we na bijna drie decennia structurele ontwikkelingshulp en een Nederlandse bijdrage van vele miljarden euro's de tussenbalans opmaken, is het beeld dieptriest. Alle miljarden uit onze belastingpot ten spijt zien we weinig verbetering in de leefomstandigheden van de inwoners van de armste landen ter wereld. Ook de opbrengsten uit acties van particuliere ‘hulporganisaties’, waarvoor de Nederlandse burger vaak diep in de buidel tast, hebben de nood niet kunnen lenigen. Is het eigenlijk niet raar dat we nauwelijks effecten van al die miljarden bespeuren? Zijn die vele miljarden dan echt een druppel op een gloeiende plaat?

De millenniumdoestellingen van de Verenigde Naties in 2000 voor de komende 15 jaar waren veelbelovend. Maar wat is ervan terechtgekomen? Afrikanen hebben nog steeds te veel wapens en te weinig water en brood. Stromend schoon water is voor weinigen weggelegd. Miljoenen mensen overal ter wereld hebben geen fatsoenlijk dak boven hun hoofd, ontelbare andere wereldburgers gaan ten onder aan schrijnende armoede en enge, dodelijke ziektes. En toch beweren we miljarden te investeren in ontwikkelingslanden. Waar blijven die miljarden? Waarom is het met onze huidige technische hulpmiddelen zo moeilijk om in kaart te brengen waar al het geld naar toe gaat?
Kortom, er zijn veel meer vragen die een antwoord van de minister behoeven? Maar wie-o-wie durft dìe vragen te stellen?